Nieuws

Representatie is geen relatiegeschenk

Boekhouden is niet moeilijk. Je moet gewoon goed opletten en vooral consequent zijn. Toch zijn er een paar veel voorkomende onderwerpen waar ondernemers over het algemeen mee worstelen. Ik doel in dit geval op de representatiekosten en de relatiegeschenken. Deze twee worden vaak door elkaar gehaald en wordt met de aftrek van btw geworsteld.

Relatiegeschenken

Als u een cadeau aan een relatie van u geeft is dat een relatiegeschenk. Fiscaal wordt dit als een gift gezien. U geeft een goed zonder vergoeding te ontvangen of tegen een te lage vergoeding. U doet dit over het algemeen in verband met bepaalde zakelijke verhoudingen. Voor de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting heeft u hier niet met een aftrekbeperking te maken mits de gift een zakelijk doel dient.

Voor de btw ligt dat anders. Is de ontvanger van het relatiegeschenk een particulier of een btw vrijsgestelde ondernemer, dan is de btw die u betaald over het relatiegeschenk alleen aftrekbaar als u onder een grensbedrag blijft. Blijft u onder de grens, dan is de btw geheel aftrekbaar. Gaat de waarde van de relatiegeschenken over de grens heen, dan mag u de btw in het geheel niet meer aftrekken. De grens ligt op 227,- euro exclusief btw. Is de ontvanger een ondernemer, dan is de btw aftrekbaar. Bent u van plan grote relatiegeschenken te geven, neem dan contact op met uw belastingadviseur, want er zit hier nog een addertje onder het gras.

Representatiekosten

Onder ‘representatie’ vallen onder meer de kosten van recepties, feestelijke bijeenkomsten en vermaak. Uiteraard moet het hier om zakelijk gemaakt kosten gaan, wil er sprake zijn van aftrek. Hoe zit het hier met de aftrek van deze kosten in de onderneming. U kunt hier kiezen. Of u trekt het deel van het totaalbedrag af dat boven de drempel van € 4.500 uitkomt, of u trekt 80% van de kosten af. U moet dan natuurlijk uitrekenen wat voor u het voordeligst is. Voor het bepalen van de hoogte van de kosten telt u alle kosten van voedsel (zakenlunches en –diners), drank (koffie, thee en frisdrank e.d.), genotmiddelen (sigaretten en sigaren), congressen, seminars, studiereizen en dergelijke bij elkaar op.

Btw over horecabestedingen is niet aftrekbaar. Houdt u echter een receptie op uw kantoor en doet u hiervoor zelf de inkopen, dat is de btw aftrekbaar mits u maar onder de grens van 227,- euro exclusief btw per gast blijft. Komt u hierboven, dan zult u moeten vaststellen welke gasten ondernemers zijn en welke particulier of btw vrijgestelde ondernemers. Voor de eerste groep blijft de btw aftrekbaar voor de tweede groep niet.

Ziet u wel. Het is helemaal niet moeilijk…Als ik het zo teruglees is het eigenlijk best ingewikkeld. Weet u wat. U boekt de kosten zonder de btw eruit te halen op relatiegeschenken en representatiekosten en uw adviseur zorgt voor de juiste verwerking van de btw.

Verder lezen

Aftrek specifieke zorgkosten in de aangifte IB

In de aangifte inkomstenbelasting zijn de zorgkosten vaak een lastig onderwerp. Hieronder worden daarom een aantal algemene regels uitgelegd. En we lichten er een aantal specifieke zorgkosten uit.

1. Belangrijke algemene regels

 

Voor wie mag de belastingplichtige zorgkosten aftrekken?
Volgens artikel 6.16 van de Wet IB 2001 zijn voor de volgende personen de zorgkosten aftrekbaar:

  • voor de belastingplichtige zelf en zijn partner
  • voor zijn kinderen jonger dan 27 jaar
  • voor ernstig gehandicapte personen die tot zijn huishouden behoren
  • voor inwonende zorgafhankelijke ouders, broers en zussen

Alleen als de zorgkosten drukken op de belastingplichtige, mag hij ze aftrekken. Voor kinderen jonger dan 27 jaar is niet relevant of zij nog thuis wonen. Als de belastingplichtige voor uitwonende kinderen jonger dan 27 jaar de zorgkosten betaalt, dan mag hij deze kosten dus aftrekken.

Welke zorgkosten zijn niet aftrekbaar?
Als de kosten geen betrekking hebben op een ziekte of handicap, zijn ze niet aftrekbaar. Er moet namelijk een direct verband zijn. Dit zijn voorbeelden uit de jurisprudentie waarin is bepaald dat onvoldoende sprake was van een direct verband:

  • kosten van liposuctie wegens te dikke bovenbenen (kosten van liposuctie voor de behandeling van lipoedeem zijn wel aftrekbaar)
  • telefoonkosten die samenhangen met medische adviezen
  • kosten voor verhuizing op medisch advies
  • kosten voor begeleiding van een blinde of invalide

Verder zijn ook niet aftrekbaar: premies voor een zorgverzekering, door de zorgverzekeraar vergoede kosten en kosten die de belastingplichtige zelf betaalt als onderdeel van een vrijwillig of verplicht eigen risico.

Tot slot zijn de afgelopen jaren een aantal aftrekposten vervallen. Op de website van de Belastingdienst kunt u bekijken welke kosten in een jaar aftrekbaar, deels aftrekbaar of niet aftrekbaar zijn.

Aannemelijk maken van zorgkosten
De bewijslast voor aftrekbaarheid van de specifieke zorgkosten rust op de belastingplichtige. De kosten zijn alleen aftrekbaar als de belastingplichtige ze aannemelijk maakt. Dat kan met nota’s of facturen van de gemaakte kosten en met rekeningafschriften waarop te zien is door wie de kosten betaald zijn. Omdat zorgkosten onder het eigen risico kunnen vallen of vergoed kunnen worden, is voor het aannemelijk maken van de kosten ook bijvoorbeeld een jaaroverzicht van de zorgverzekeraar belangrijk.

De particuliere belastingplichtige heeft geen bewaarplicht. Maar het is belangrijk om erbij stil te staan dat de Belastingdienst tot 5 jaar na het belastingjaar nog kan vragen om de kosten aannemelijk te maken. De belastingplichtige is dan verplicht de stukken te overleggen op grond van artikel 47, lid 1 van de AWR.

2. Specifieke zorgkosten uitgelicht

Genees- en heelkundige hulp
Deze uitgaven staan genoemd in artikel 6.17, lid 1, sub a van de Wet IB 2001. Het gaat dan om “uitgaven die naar hun aard als medische behandeling zijn te kwalificeren”. Denk hierbij aan medicijnen, kosten van een huisarts of verpleging en ook tandartskosten.

Kosten voor genees- en heelkundige hulp zijn aftrekbaar als de behandeling op voorschrift of onder begeleiding van een huisarts is uitgevoerd. Zo zijn kosten voor hoestdrank of paracetamol niet aftrekbaar als genees- en heelkundige hulp. Deze kosten worden immers niet op voorschrift van een arts gemaakt. Kosten van bijvoorbeeld plastische chirurgie zijn aftrekbaar als deze op voorschrift van een arts en met een medische noodzaak zijn gemaakt.

Bepaalde aangewezen paramedische behandelingen zijn zonder voorschrift aftrekbaar. Zoals behandeling door een fysiotherapeut. Op verzoek moet de fysiotherapeut dan wel een verklaring kunnen opstellen waaruit het medische karakter van de behandeling blijkt. Een overzicht van de aangewezen paramedische behandelingen kunt u vinden op de website van de Belastingdienst.

Voor genees- en heelkundige hulp zijn kosten van een ooglaserbehandeling nooit aftrekbaar, ook niet wanneer de behandeling wordt uitgevoerd om te voorkomen dat een persoon op een later moment een bril of lenzen moet dragen.

Hulpmiddelen en aanpassingen
Deze uitgaven staan genoemd in artikel 6.17, lid 1, sub d van de Wet IB 2001. Van belang voor aftrek is dat er een directe samenhang bestaat tussen de kostenpost en de medische aandoening. Alleen dan zijn de werkelijke kosten aftrekbaar. Naast aanschafkosten kan het dan gaan om onderhoudskosten, reparatiekosten en eventuele verzekeringskosten, zolang deze in direct verband staan met de hulpmiddelen.

Hulpmiddelen zijn voorzieningen, apparaten en andere medische hulpmiddelen die hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt. Bijvoorbeeld een prothese, steunzolen of een gehoorapparaat. Deze hulpmiddelen stellen de belastingplichtige in staat om een normale lichaamsfunctie te verrichten.

Let op!
Het is van belang om de aftrekbaarheid van de specifieke zorgkosten elk jaar opnieuw te beoordelen. De afgelopen jaren zijn aantal aftrekposten vervallen. Deze staan in artikel 6.17, lid 2 van de Wet IB 2001. Het gaat bijvoorbeeld om brillen, contactlenzen, scootmobielen, rolstoelen en aanpassingen aan een woning.

Nog wel aftrekbaar zijn:

  • De afschrijving voor een scootmobiel of rolstoel, mits deze gestart is in een jaar waarin de kosten nog aftrekbaar waren.
  • Kosten voor andere aanpassingen, bijvoorbeeld aan een auto. Aftrek is alleen toegestaan als de aanpassingen direct betrekking hebben op de ziekte of handicap en er hoofdzakelijk door de zieke of invalide persoon gebruik van wordt gemaakt.

Dieet op voorschrift huisarts of diëtist
Deze uitgaven staan genoemd in artikel 6.17, lid 1, sub f van de Wet IB 2001. Belastingplichtigen die vanwege hun gezondheid een dieet volgen, kunnen recht op aftrek hebben. De eerste voorwaarde is dat het dieet plaatsvindt op voorschrift van een arts of diëtist. Als tweede voorwaarde geldt dat sprake moet zijn van een dieet dat is opgenomen op de dieetlijst.

De dieetlijst kunt u vinden op de website van de Belastingdienst. Hierin staat ook het bedrag aan kostenaftrek. Dit is een vast (forfaitair) bedrag dat afhankelijk is van de dieetvorm die is voorgeschreven. Sinds 2004 is ook aftrek mogelijk voor een voorgeschreven Moermandieet bij het ziektebeeld oncologie.

Let op!
Of de belastingplichtige daadwerkelijk in aanmerking komt voor aftrek wordt beoordeeld aan de hand van een dieetbevestiging. Deze moet afkomstig zijn van een arts of diëtist. Het komt geregeld voor dat een dieetbevestiging na een verzoek niet wordt overgelegd, of dat deze niet voldoet aan de voorwaarden. Dit kan ertoe leiden dat de aftrek niet wordt toegekend. De belastingplichtige kan discussie voorkomen door gebruik te maken van de ‘officiële’ dieetverklaring, te vinden op de website van de Belastingdienst.

Extra uitgaven voor kleding- en beddengoed
Deze uitgaven staan genoemd in artikel 6.17, lid 1, sub g van de Wet IB 2001. De belastingplichtige heeft recht op een forfaitair bedrag aan aftrek als hij in verband met ziekte of invaliditeit voor tenminste een kalenderjaar meer geld uitgeeft aan kleding en beddengoed dan een belastingplichtige zonder deze ziekte of invaliditeit. Denk aan een incontinent persoon die meer kosten maakt voor het wassen van zijn kleding, of aan op maat gemaakte kleding voor erg lange personen.

De aftrek is € 300 per jaar voor iedere persoon binnen het huishouden die aan de voorwaarden voldoet. Zo nodig wordt het vaste bedrag tijdsevenredig vastgesteld. Als een belastingplichtige bijvoorbeeld een half jaar speciale kleding nodig heeft na een revalidatie, dan is de aftrek de helft van € 300.

Let op!
Als de gemaakte kosten hoger zijn dan € 750, mag de belastingplichtige onder een aanvullende voorwaarde een forfaitair bedrag van € 600 aftrekken. Die voorwaarde is dat de belastingplichtige kan aantonen dat de extra kosten daadwerkelijk gemaakt zijn. Verder gelden ook de andere voorwaarden.

Reiskosten ziekenbezoek
Deze uitgaven staan genoemd in artikel 6.17, lid 1, sub h van de Wet IB 2001. De belastingplichtige kan reiskosten voor ziekenbezoek onder volgende voorwaarden aftrekken:

  • De belastingplichtige en de zieke hadden voorafgaand aan de ziekte samen een huishouden.
  • De zieke wordt langer dan een maand verpleegd. Als de zieke meerdere keren per jaar verpleegd wordt, mag de belastingplichtige de reiskosten alleen aftrekken als de zieke in totaal langer dan 1 maand is verpleegd voor dezelfde ziekte in dat jaar. De tijd tussen de verpleegperioden mag niet langer dan 4 weken zijn.
  • De belastingplichtige bezoekt de zieke regelmatig. Bij een ziekte die korter duurt dan een maand, moet iedere week een bezoek plaatsvinden. Duurt de ziekte langer dan een maand, dan moet iedere maand een bezoek plaatsvinden.
  • De enkele reisafstand tussen de woning of verblijfplaats van de belastingplichtige en de plaats waar de zieke wordt verpleegd, is meer dan 10 kilometer (gemeten langs de meest gebruikelijke weg).

De belastingplichtige mag voor de aftrek € 0,19 per kilometer rekenen bij gebruik van een auto. Voor reizen per taxi, met het openbaar vervoer of op een andere wijze mogen de werkelijke kosten in aftrek gebracht worden. De werkelijke kosten moeten aan de hand van vervoersbewijzen aannemelijk gemaakt worden.

bron: belastingdienst

Verder lezen

Wijziging teruggaaf btw bij oninbare vorderingen

Vanaf 1 januari 2017 gelden andere regels voor het aanmerken van een vordering als oninbaar en voor de manier waarop de betaalde btw kan worden teruggevraagd. Daarnaast geldt een aanpassing voor het terugbetalen van afgetrokken voorbelasting door het niet betalen van de vordering.

De leverancier kan zijn op aangifte betaalde btw terugvragen zodra het zeker is dat zijn vordering (gedeeltelijk) oninbaar is.

Nieuw is dat de vordering in ieder geval 1 jaar ná de uiterste betaaldatum van de factuur, als oninbaar wordt aangemerkt. Daarnaast hoeft voor de teruggaaf geen apart verzoek meer te worden ingediend. De teruggaaf kan worden verwerkt in de btw-aangifte.

Meer informatie leest u op de site van de Belastingdienst bij Teruggaaf door oninbare vorderingen.

Terugbetalen van afgetrokken voorbelasting
De afnemer moet zijn op aangifte afgetrokken voorbelasting terugbetalen als hij het factuurbedrag (deels) heeft teruggekregen of op het moment dat duidelijk is dat hij de factuur niet (helemaal) gaat betalen.

Nieuw is dat de afnemer de btw uiterlijk 1 jaar ná de uiterste betaaldatum van de factuur, moet terugbetalen.

Meer informatie leest u op de site van de Belastingdienst bij Niet-betaalde facturen.

Bron: belastingdienst.nl

Verder lezen

Einde aftrek specifieke zorgkosten?

De regeling voor aftrek van specifieke zorgkosten zou binnenkort afgeschaft kunnen worden. Daar heeft staatssecretaris Wiebes in ieder geval op gehint in een brief aan de Eerste Kamer.

Beoogde doelgroep
De aftrek voor specifieke zorgkosten is bedoeld voor chronisch zieken en gehandicapten. Maar ook mensen die incidenteel hoge zorgkosten hebben, zoals hoge tandartskosten, gebruiken de regeling. Ook wordt de regeling toegepast door mensen die niet zelf chronisch ziek zijn, maar wel een chronisch zieke partner hebben. Zij tellen hun eigen zorgkosten en die van hun partner bij elkaar op en komen daardoor in aanmerking voor aftrek. Maar voor deze mensen is de regeling niet bedoeld.

Nieuwe regeling
Daarom is de staatssecretaris op zoek naar een regeling die beter gericht is op de doelgroep en ook eenvoudig, minder fraudegevoelig en beter te handhaven is. Hoe de nieuwe regeling eruit zal zien, is op dit moment nog niet bekend. Het is onzeker of de nieuwe regeling weer een aftrek voor de inkomstenbelasting zal zijn. Misschien wordt er, net als bij de scholingsuitgaven en de uitgaven voor monumenten, gekozen voor een subsidieregeling of een toeslag.

Klik hier voor het downloaden van PDF

Verder lezen

Hypotheek van de BV

Veel dga’s vinden de hypotheek van de bv een aansprekende manier van fiscale planning. Renteaftrek in privé wordt gecombineerd met een aantrekkelijke ‘belegging’ door de bv. Stel de bv beschikt over overtollige liquiditeiten waarop een rendement wordt behaald van 1%. Stel dat de dga aan de bank 4% hypotheekrente betaalt. Door middel van een hypotheek van de bv kan de bv een extra rendement behalen van 3% zonder dat er extra risico wordt gelopen.

Op grond van HR 5 februari 1997, nr. 32.037, BNB 1997/217 dient voor het lenen van de bv een rente te worden gehanteerd gelijk aan de depositorente of spaarrente die de bv bij de bank kan krijgen, eventueel vermeerderd met een risico-opslag. Een dergelijke lage rente is fiscaal niet erg gunstig als het gaat om eigenwoningleningen (wel als het gaat om consumptieve en effectenleningen). De praktijk gaat uit van de hypotheekrente van banken. De fiscus pleegt daar niet moeilijk over te doen.

Het berekenen van een hoge aftrekbare rente kan dienstig zijn om gebruikelijkloonproblematiek te verzachten.

Ter besparing van kosten zou een hypotheekakte achterwege kunnen worden gelaten en zou kunnen worden volstaan met een positieve/negatieve hypotheekverklaring. Banken en particuliere kredietverstrekkers plegen hiermee geen genoegen te nemen. Een dergelijke zwakke zekerheid is dan ook meer iets voor de bühne. De fiscus eist steeds vaker dat de aandeelhouder als zekerheid een echt hypotheekrecht afgeeft. Ook het verpanden van een effectenportefeuille of onderhandse vorderingen kan een bijdrage leveren aan de zakelijkheid van de hypotheek van de bv. Reguliere hypothecaire zekerheid verdient ons inziens echter in zijn algemeenheid de voorkeur. In de sheets van het Stamrechtproject van het CAP wordt aangegeven dat een positieve-negatieve hypotheekverklaring niet als reële zekerheid wordt aanvaard met als argument dat een onafhankelijke derde daar ook geen genoegen mee zou nemen. Deze standpuntbepaling heeft betrekking op loonbelastingstamrechten. Het is aannemelijk dat zij ook wordt ingenomen ten aanzien van pensioenverplichtingen. Het risico van onvoldoende zekerheid is ‘afzien’ van pensioen. Besef dat de vordering van de bv op haar aandeelhouder vaak dient ter (gedeeltelijke) dekking van pensioenverplichtingen in eigen beheer.

Het komt regelmatig voor dat de dga de hypotheeklening voor de aanschaf van de woning bij de bank heeft afgesloten en dat hij later ter financiering van een verbouwing bij zijn bv leent. Uit Hof Amsterdam 27 december 2011, nr. 200.076.047/01 volgt dat de notaris moet weigeren een tweede hypotheek te vestigen bij gebreke van toestemming van de eerste hypotheekhouder. Dit kan van belang zijn als de dga ten behoeve van de bv een recht van tweede hypotheek wil vestigen. Naar verluidt verlenen banken als eerste hypotheekhouder geen toestemming of alleen als de tweede hypotheekhouder afziet van het recht op parate executie. De bank als eerste hypotheekhouder wil namelijk niet het risico lopen door de tweede hypotheekhouder met een executie te worden geconfronteerd. Onze indruk is dat de banken hiervoor nog geen vast beleid hebben ontwikkeld, maar hier soms aan meewerken. Let wel, met de hiervoor aangegeven modus zijn niet alle risico’s voor de eerste hypotheekhouder uit beeld verdwenen. Hij zal wellicht ook willen voorkomen dat de tweede hypotheekhouder via een executoriaal beslag tot uitwinning overgaat.

Op grond van de Gedragscode Hypothecaire Financiering verstrekken banken in beginsel geen volledig aflossingsvrije hypotheken meer. De hypotheek van de bv is doorgaans aflossingsvrij. De Belastingdienst lijkt hier echter (nog) geen punt van te maken. De vraag is overigens wat er gebeurt als de Belastingdienst hier wel een punt van zou maken. De uiterste consequentie is dat de fiscus bij een slechte solvabiliteit van de dga een uitdeling stelt of afkoop van pensioen. Voor de duiding van een financieringsovereenkomst is de terugbetalingsverplichting van groot belang. Voor de beoordeling daarvan moet worden gekeken naar de overeenkomst, maar ook naar de feitelijke mogelijkheid voor de geldlener om de lening terug te kunnen betalen. Als deze beoordeling leidt tot de vaststelling dat de dga gezien zijn inkomens- en vermogenspositie niet tot terugbetaling in staat zal zijn, moet wellicht tot een uitdeling kunnen worden geconcludeerd of afkoop van pensioen.

In de praktijk wordt de rente meestal niet daadwerkelijk betaald, maar in rekening-courant verwerkt. Dat is voor de aftrek van eigenwoningrente geen probleem als sprake is van rentedragend worden. Als de rekening-courantschuld te hoog is opgelopen, zal zij via dividend of anderszins moeten worden gesaneerd.

Geadviseerd kan worden de rente telkens zes maanden vooruit te betalen. Verder kan bij het afsluiten van de woninglening bij de bv worden overwogen afsluitprovisie in rekening te brengen. Voor hypotheken die bij de bv worden afgesloten en waarop het overgangsrecht niet van toepassing is geldt een inlichtingenplicht, art. 3.119g IB.

Aanvankelijk leek het erop dat het gedeeltelijk oversluiten bij de bv tot verlies van het overgangsrecht zou leiden. Uit de Nota n.a.v. het verslag bij het Belastingplan 2013 bleek evenwel dat dit niet het geval was en de Kamerbrief van 4 maart 2013 gaf uiteindelijk echt duidelijkheid, Kamerbrief beleidsbesluit fiscale aftrek bouwrente en stofkamoperatie.

Het is in beginsel geen bezwaar als de onder het nieuwe regime vereiste aflossing in rekening-courant wordt verwerkt. Beslissend is dat de eigenwoningschuld ten minste volgens een annuïtair schema wordt verminderd. Hier zit echter wel een adder onder het gras. De feitelijke schuld wordt per ultimo van het jaar getoetst aan het wettelijke aflossingsschema. Bij boeking van de aflossing in rekening-courant geschiedt de betaling ons inziens op het moment van de boeking. Deze vindt in de regel pas na afloop van het jaar plaats. Men zal daarom ofwel de boeking naar voren moeten halen of een kasrondje moeten organiseren. Bij dat kasrondje neemt de dga het af te lossen bedrag in rekening-courant op van de bv, waarna hij het desbetreffende bedrag ten titel van aflossing via bankoverschrijving weer aan de bv betaalt. Zo loopt men in elk geval niet het risico om structureel te laat af te lossen. Bedenk in dit verband dat er een regeling bestaat voor een incidentele overschrijding van de aflossingsstand, maar niet voor een structurele overschrijding daarvan.

De gunstigste route voor het verstrekken van een hypotheeklening aan een kind is het lenen van de bv tegen bijvoorbeeld 2,5% variabele rente in combinatie met een lening aan het kind tegen een vaste rente van, zeg, 6%. Een dergelijke marge moet wel zakelijk worden onderbouwd op basis van het verschil in risicoprofiel (dga is solvabel, kind krijgt tophypotheek).

2016-4e-kwartaal_esteem-fa

Verder lezen